De prijzen die Nederlandse industriële bedrijven voor hun producten vragen, lagen in juli 2025 gemiddeld 0,1 procent lager dan een jaar eerder. Daarmee zet de lichte daling van de afgelopen maanden door, al was de afname minder sterk dan in juni, toen de prijzen 0,3 procent lager uitvielen. Vergeleken met juni stegen de afzetprijzen juist marginaal met 0,1 procent. Op de binnenlandse markt bleven de prijzen gelijk, terwijl ze in het buitenland net iets opliepen.
Van pieken naar stabiliteit
De huidige stabilisatie contrasteert sterk met de extreme prijsschommelingen van de afgelopen jaren. Waar de industrie in 2021 en 2022 nog dubbele cijfers noteerde — met een piek van bijna 25 procent prijsstijging in juni 2022 — sloeg het tij in 2023 om. Vanaf dat jaar werden jaar-op-jaar dalingen zichtbaar, met juli 2023 zelfs 5,2 procent lager dan een jaar eerder. Sinds begin 2024 bewegen de prijzen zich dichter rond het nulpunt, met kleine plusjes en minnetjes die duiden op een meer evenwichtig prijsniveau.
Olie als bepalende factor
Een belangrijke verklaring voor de recente prijsontwikkeling ligt bij de olieprijzen. In juli kostte een vat North Sea Brent ruim 59 euro, ruim 23 procent minder dan een jaar eerder. Ook in juni lag de prijs nog fors lager, met een daling van ruim 21 procent jaar op jaar. Deze trend drukt zwaar op de aardolie-industrie: producten uit deze sector waren in juli maar liefst 12,9 procent goedkoper dan een jaar eerder. Een maand eerder was dat verschil zelfs 15,8 procent.
De chemische industrie, die sterk leunt op olie als grondstof, liet eveneens een prijsdaling zien. In juli lagen de prijzen daar 3,7 procent lager dan een jaar eerder, na een daling van 2,5 procent in juni.
Andere sectoren trekken juist aan
Terwijl olie en chemie de gemiddelden omlaag trokken, noteerden andere bedrijfsklassen juist stevige prijsstijgingen. Zo waren voedingsmiddelen en auto’s in juli beide 4,1 procent duurder dan een jaar eerder. Ook metaalproducten (+1,6 procent), machines (+1,3 procent) en kunststof- en rubberproducten (+1 procent) lieten prijsstijgingen zien. De elektrotechnische sector bleef vrijwel stabiel (-0,3 procent).
Deze verschillen tussen sectoren zorgen ervoor dat de totale industrie nauwelijks in beweging komt, ondanks de sterke dalingen in olie en chemie. Samen zijn de acht grootste bedrijfsklassen goed voor bijna drie kwart van de industrie, waardoor hun onderlinge tegenwicht de algemene trend bepaalt.