De inflatie in Nederland is in oktober gestegen naar 3,6 procent, blijkt uit een snelle raming van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Deze stijging is gebaseerd op voorlopige brongegevens, waarbij de inflatie in september nog op 3,5 procent lag. Elke maand berekent het CBS de inflatie op basis van de consumentenprijsindex (CPI), waarin de prijsontwikkeling ten opzichte van dezelfde maand het jaar ervoor wordt vergeleken. Volledige inflatiecijfers over oktober worden op 12 november gepubliceerd.
Prijsontwikkeling per productgroep
Naast het algemene inflatiecijfer heeft het CBS ook de prijsontwikkeling binnen diverse productgroepen gemeten. Deze productgroepen omvatten specifieke bestedingscategorieën die een bepaald thema weerspiegelen, zoals diensten. Het biedt daarmee een gedetailleerder inzicht in welke sectoren prijswijzigingen het sterkst zichtbaar zijn. Op 12 november volgt een uitgebreide publicatie met de prijsontwikkelingen van alle categorieën binnen de CPI.
Europese vergelijking via HICP
Het CBS hanteert twee methoden om inflatie te meten: naast de CPI ook de Europees geharmoniseerde consumentenprijsindex (HICP). De HICP-raming voor oktober toont een inflatie van 3,3 procent, hetzelfde percentage als in september. De HICP is ontwikkeld om inflatiecijfers van Europese landen onderling te kunnen vergelijken volgens gestandaardiseerde definities en methoden. Eurostat gebruikt de HICP om de inflatie binnen de eurozone en de gehele Europese Unie vast te stellen, een belangrijke indicator voor de Europese Centrale Bank bij haar monetaire beleid.
Een belangrijk onderscheid tussen de CPI en de HICP in Nederland is dat de HICP geen rekening houdt met de kosten van eigen woningbezit, in tegenstelling tot de CPI, waar woninghuurkosten wel worden meegenomen. Het CBS publiceert daarnaast regelmatig verduidelijking over de verschillen tussen beide inflatiemaatstaven om een volledig beeld te geven van de diverse rekenmethodes en hun impact op de inflatiecijfers.